Artikel 4 AI-verordening: wat de AI-geletterdheidsplicht in 2026 van werkgevers vraagt
Laatst bijgewerkt op September 01, 2026Leestijd: 8 min
Inleiding: waarom artikel 4 er nu toe doet
Gebruikt uw organisatie AI op de werkvloer, van een chatbot voor klantcontact tot software die sollicitaties voorselecteert? Dan geldt er al een tijdje een verplichting die gemakkelijk over het hoofd wordt gezien: artikel 4 van de Europese AI-verordening, over AI-geletterdheid.
Artikel 4 is formeel al van toepassing sinds 2 februari 2025. Twee ontwikkelingen hebben de bepaling in 2026 opnieuw op de kaart gezet: een wijziging via de Digital Omnibus voor AI, die medio juli 2026 in werking trad, en de start van het nationale toezicht en de handhaving per 2 augustus 2026. Voor Nederlandse werkgevers is dit hét moment om te controleren of de eigen aanpak rond AI-geletterdheid meer is dan een goed voornemen.
Dit artikel legt in gewone taal uit wat artikel 4 wel en niet vereist, en wat werkgevers er in de praktijk mee moeten doen.
Wat houdt artikel 4 van de AI-verordening in?
Artikel 4 maakt deel uit van de AI-verordening (Verordening (EU) 2024/1689), 's werelds eerste brede AI-wet. De kern: aanbieders en gebruiksverantwoordelijken van AI-systemen moeten maatregelen nemen om de AI-geletterdheid te bevorderen van hun personeel en van anderen die namens hen met AI-systemen werken.
Daarbij wordt rekening gehouden met de technische kennis, ervaring, opleiding en het opleidingsniveau van iedere betrokkene, én met de context waarin het AI-systeem wordt ingezet. De wet schrijft dus geen vaste norm voor. Organisaties moeten hun maatregelen laten aansluiten op hun eigen situatie.
Eén nuance is het vermelden waard. De oorspronkelijke tekst uit 2024 sprak nog over het naar best vermogen zorgen voor "een toereikend niveau" van AI-geletterdheid. Na de wijziging via de Digital Omnibus, die medio juli 2026 inging, luidt de tekst nu dat organisaties de ontwikkeling van AI-geletterdheid moeten ondersteunen. Ook is expliciet opgenomen dat geen specifiek individueel niveau hoeft te worden gegarandeerd. De verplichting blijft bindend, maar is flexibeler gemaakt voor organisaties van elke omvang.
Wat betekent de AI-geletterdheidsplicht concreet?
Juridisch gezien is AI-geletterdheid in de AI-verordening gedefinieerd als de vaardigheden, kennis en het begrip die aanbieders, gebruiksverantwoordelijken en betrokkenen in staat stellen weloverwogen beslissingen te nemen over AI-systemen, en zich bewust te zijn van de kansen, risico's en mogelijke schade die AI kan veroorzaken.
Dat is breder dan technische training. Het gaat ook om begrijpen wat een AI-systeem eigenlijk doet, de beperkingen ervan herkennen, zoals het risico op onjuiste of verzonnen output, en weten wanneer een mens het laatste woord moet hebben boven een AI-uitkomst.
Volgens de officiële vraag-en-antwoordlijst van de Europese Commissie over artikel 4 hoeven organisaties de AI-kennis van medewerkers niet formeel te toetsen of examineren. Wat wel wordt gevraagd, is dat organisaties redelijke, proportionele stappen zetten om die kennis geleidelijk op te bouwen.
Voor wie geldt dit?
Artikel 4 richt zich op twee groepen uit de AI-verordening: aanbieders, organisaties die AI-systemen ontwikkelen of op de markt brengen, en gebruiksverantwoordelijken, organisaties die AI-systemen inzetten binnen hun eigen bedrijfsvoering. De meeste werkgevers vallen simpelweg onder de categorie gebruiksverantwoordelijke, omdat zij AI-tools gebruiken op de werkvloer.
De verplichting reikt verder dan alleen het eigen personeel. Volgens de toelichting van de Commissie vallen ook anderen die namens de organisatie optreden eronder, zoals zzp'ers, ingeleende krachten of opdrachtnemers, wanneer zij betrokken zijn bij het bedienen of gebruiken van een AI-systeem van de organisatie.
De regel geldt ongeacht de bedrijfsgrootte. Een zzp'er die één AI-schrijftool gebruikt en een grootbank die tientallen AI-systemen draait, vallen allebei onder de regeling. Wel zullen, zoals hieronder blijkt, de passende maatregelen voor beide er heel anders uitzien.
Hoe ziet AI-geletterdheid er in de praktijk uit?
De Europese Commissie heeft een praktisch stappenplan geschetst waarmee organisaties hun verplichtingen onder artikel 4 kunnen invullen. Kort samengevat komt het neer op vier stappen: bouw eerst algemeen begrip op binnen de organisatie, over wat AI is, hoe het werkt en waar het wordt gebruikt. Bepaal vervolgens de eigen rol als aanbieder of gebruiksverantwoordelijke. Breng daarna het risiconiveau van de gebruikte AI-systemen in kaart, want hoog-risicosystemen vragen om grondigere maatregelen. Vertaal dit ten slotte naar concrete acties per functie, afgestemd op ieders technische achtergrond en de context waarin het systeem wordt gebruikt.
Verplicht de EU een AI-training of certificaat?
Dit is een van de meest hardnekkige misverstanden rond artikel 4, dus laten we het scherp stellen: de Europese Commissie heeft in haar officiële vraag-en-antwoordlijst bevestigd dat er geen certificaat nodig is om aan artikel 4 te voldoen. Er is ook geen verplicht lesprogramma, geen minimumaantal trainingsuren en geen door de EU goedgekeurde cursus die automatisch aan de verplichting voldoet. De richtlijnen van de Commissie zijn duidelijk: er bestaat geen uniforme, kant-en-klare aanpak die voor iedereen werkt, en wat nodig is hangt af van de concrete context waarin een organisatie opereert.
Wat wel wordt verwacht, is dat organisaties intern een vorm van vastlegging bijhouden van de training of begeleiding die zij hebben geboden: bewijs dat redelijke, contextpassende stappen zijn gezet, niet het bezit van een specifiek diploma. De Commissie houdt bovendien een actueel overzicht bij van meer dan veertig praktijkvoorbeelden van AI-geletterdheid bij bedrijven en overheidsinstanties, bedoeld als inspiratie en niet als afvinklijst. Het letterlijk overnemen van een voorbeeld uit die verzameling garandeert op zich geen naleving.
Eén punt is extra relevant voor werkgevers die hoog-risico AI-systemen gebruiken. Artikel 26 van de AI-verordening verplicht gebruiksverantwoordelijken van dergelijke systemen apart om ervoor te zorgen dat personeel voldoende is opgeleid om die systemen te bedienen en menselijk toezicht uit te oefenen. Die verplichting staat naast, en is specifieker dan, de algemene geletterdheidsplicht van artikel 4.
Wat werkgevers nu te doen staat
Nu het formele toezicht en de handhaving sinds 2 augustus 2026 zijn gestart, doen werkgevers er goed aan om van bewustzijn naar actie te bewegen. In Nederland ligt de coördinerende toezichtrol bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, die samenwerken met sectorale toezichthouders binnen hun eigen domein. Een paar praktische, laagdrempelige stappen springen eruit.
Begin met het in kaart brengen van welke AI-tools daadwerkelijk binnen de organisatie worden gebruikt, inclusief tools die medewerkers op eigen initiatief zijn gaan gebruiken, zoals een gratis chatbot-account voor het opstellen van teksten. Het is lastig om geletterdheid op te bouwen rond systemen die nog niet eens in beeld zijn. Verdeel medewerkers vervolgens naar de manier waarop zij met AI werken, bijvoorbeeld incidentele gebruikers, structurele gebruikers en technisch personeel dat systemen bouwt of configureert, aangezien de benodigde diepgang van training tussen deze groepen logischerwijs verschilt. Leg daarna vast welke maatregelen zijn genomen, ook als dat informeel gebeurt: een schriftelijke vastlegging is precies waar toezichthouders, en eventueel de rechter, naar zullen kijken bij een geschil.
Evalueer AI-geletterdheidsmaatregelen ten slotte regelmatig. Omdat zowel de onderliggende technologie als het toolgebruik binnen de meeste organisaties snel verandert, is een eenmalige introductiesessie na verloop van tijd waarschijnlijk niet meer toereikend.
Welke vaardigheden hebben medewerkers nodig?
Artikel 4 schrijft geen vaste vaardighedenlijst voor, maar de richtsnoeren van de Commissie en de definities in de AI-verordening wijzen op een vast pakket aan praktische competenties. Denk aan een basaal begrip van hoe de gebruikte AI-tools tot hun output komen, het besef dat die output onjuist of vooringenomen kan zijn, en het inzicht om te bepalen wanneer een mens een AI-ondersteunde beslissing moet controleren of terzijde schuiven. Medewerkers moeten ook de specifieke beperkingen kennen van de tools die zij persoonlijk gebruiken. Ook een algemene chatbot die wordt ingezet voor vertaling of advertentieteksten kan immers feitelijk onjuiste content produceren.
Voor medewerkers in AI-intensievere functies wordt aanvullende kennis relevanter, bijvoorbeeld over gegevensbescherming, toepasselijke Unie- of sectorregels, en de ethische aspecten van AI-ondersteunde besluitvorming, zeker wanneer de betrokken tools onder de hoog-risicocategorie van de verordening vallen.
Het is nuttig om deze alledaagse geletterdheid te onderscheiden van AI-expertise. Geletterdheid gaat over het toerusten van de gewone medewerker, denk aan marketeers, HR-collega's en klantenservicemedewerkers, met genoeg begrip om AI-tools verantwoord te gebruiken. Expertise verwijst naar de diepere technische kennis van AI-onderzoekers en AI-ontwikkelaars. De Commissie geeft aan dat mensen met een relevante AI-opleiding of beroepservaring doorgaans als AI-geletterd kunnen worden beschouwd zonder extra formele actie, al doen organisaties er goed aan te controleren of die kennis ook geldt voor de specifieke systemen die zij gebruiken. De meeste werkgevers hoeven niet van elke medewerker een AI-specialist te maken; de wettelijke lat ligt bij proportioneel bewustzijn, niet bij technische meesterschap.
Praktijkvoorbeelden van AI-geletterdheid op de werkvloer
Een marketingteam dat generatieve AI gebruikt om berichten voor sociale media te schrijven, moet begrijpen dat de tool aannemelijk klinkende maar onjuiste beweringen kan produceren, en moet de output controleren voordat deze wordt gepubliceerd in plaats van klakkeloos aan te nemen dat die klopt.
Een HR-afdeling die AI gebruikt om sollicitaties voor te selecteren, moet zich bewust zijn van het risico op vooringenomenheid in de geautomatiseerde voorselectie, en moet ervoor zorgen dat een mens daadwerkelijk betrokken blijft bij de uiteindelijke beslissing. Dat geldt des te sterker omdat veel wervings- en selectietools onder de hoog-risicocategorie van de verordening kunnen vallen.
Conclusie
Artikel 4 van de AI-verordening vraagt van werkgevers eigenlijk iets vrij bescheidens: neem redelijke, proportionele stappen zodat mensen die op het werk AI gebruiken, begrijpen wat het wel en niet kan. Er is geen certificaat nodig, geen vast lesprogramma en geen aparte functionaris voor AI-naleving verplicht.
Wat wel nodig is, is oprechte, vastgelegde inspanning: AI-gebruik in kaart brengen, uitleg afstemmen op verschillende functies en die uitleg actueel houden naarmate tools veranderen. Nu de Nederlandse toezichthouders sinds augustus 2026 daadwerkelijk kunnen handhaven, hebben organisaties die nog geen basale AI-geletterdheidsaanpak hebben geformaliseerd alle reden om daar nu mee te beginnen.
Bronnen
Europese Commissie, AI talent, skills and literacy, Shaping Europe's Digital Future
Europese Commissie, AI Literacy – Questions & Answers, officiële vraag-en-antwoordlijst bij artikel 4
Europese Commissie, Repository of AI Literacy Practices
Verordening (EU) 2024/1689 (de AI-verordening), Publicatieblad van de Europese Unie, EUR-Lex
Verordening (EU) 2026/1744, Digital Omnibus on AI, EUR-Lex
Autoriteit Persoonsgegevens, over de rol van de AP en de RDI in het Nederlandse AI-toezicht
